Posts tonen met het label klootzak. Alle posts tonen
Posts tonen met het label klootzak. Alle posts tonen

donderdag 11 augustus 2022

MEEZINGEN

Donker schaamrood zou ik op de kaken krijgen als bekenden mij het lied: ‘Ik krijg een heel apart gevoel van binnen’ van Corrie Konings zouden zien meebrullen. Mijn vrouw, Carola,zingt graag dus vanavond is het smullen voor haar. In de Havenloods staat dat deze zaterdagavond ‘Rotterdam zingt mee’ gehouden wordt.

 ‘Waarom ga je niet lekker mee, Jee?’ vraagt ze me aan het eind van de zaterdagmiddag, ‘er is niks lekkerder als uit volle borst zingen en zeker als je dat doet met een stel mensen tegelijk.’ ‘Is er echt helemaal niks lekkerder, Carool?’ ‘Ha ha ha, wat kinderachtig zeg ... nee, even serieus, ga je nou wel of niet mee? Zo'n avond als deze kan eenvoudig niet stuk. Bovendien is het ook nog eens heerlijk weer, zwoel.'

Tsja, om nu de hele avond in dit benauwde huis blijven hangen, daar heb ik ook weer geen trek in, bedenk ik me. Ik denk dat er niet veel anders op zit dan mee te gaan zingen of zal ik toch maar gewoon thuis blijven … oooooo …  ik word gek van mezelf. ‘Ik weet nog niet wat ik doe, Carola, laten we eerst maar gaan eten.'

Ik besluit toch maar te gaan zingen. Hoe stom ik dat zingen ook vind, ik ben dan tenminste onder de mensen. Daar sta ik dan … aan de voet van de Laurenskerk … een gigantisch scherm  toont beelden van ons, het grote koor en de tekst van de liedjes … een soort karaoke dus. Als we aan komen lopen, horen we Willy Alberti met ‘de glimlach van een kind’. Carola zingt het lied gelijk uit volle borst mee … ze geeft me een por: ’kom op, ik hoor je niet’ Schielijk kijk ik om me heen en als de kust veilig is, neurie ik het lied mee. Vrolijk hossen vind ik gênant, laat staan uitbundig zwaaien.

Ik word op mijn schouder getikt door Frits, een collega, ‘Ha, die Jee, jij hier? Jij bent wel de laatste, die ik hier zou verwachten.  Zo’n doorgewinterd dead metal figuur. Geen grotere smartlappenvermijder als jij, toch? En niet te vergeten Willy Alberti-hater. Hij is nu al jaren dood. Maar ik heb je wel eens horen zeggen, dat als hij nog zou leven, dat je hem dan……' ’Genoeg, Frits, zo kan die wel weer’

‘Nu zie ik je hier staan, Jee: deinend, wuivend en zingend. Ik sta er echt versteld van. Je collega’s ook denk ik. Ik heb foto’s van je gemaakt. Die laat ik maandag op de zaak zien. Kunnen ze ook eens lachen. Tot volgende week.’

Carola en ik lopen naar huis. ‘Ik had gewoon niet naar je moeten luisteren. Sta nu echt mooi voor lul voor de hele zaak.....reken maar dat die klootzak van een Frits die foto’s naar alle afdelingen mailt. Waarom bleef je eigenlijk alsmaar aan me kop zeiken, dat ik mee moest gaan en dat het zo leuk zou zijn. Ik meld me ziek maandag.’

‘Maak je toch niet zo druk over die foto’s, Jee. Probeer er zelf ook een beetje de lol van in te zien. Trouwens  ik heb vanavond  lekker gezongen en jij volgens mij ook. Totdat dat achterlijke gebakkie ineens voor je neus stond.’

dinsdag 15 maart 2022

DE KIPPENPOOT (2)

We vinden een plek waar we met onze volle tassen ongezien over het hek kunnen. Het is wel uitkijken geblazen voor het prikkeldraad en die gemene ijzeren punten aan het hek. Anton klimt er als eerste overheen. Mij laat hij met die twee tassen staan  

“Geef mij nou eerst één voor één je tassen aan en klim dan zelf over het hek. Ik vang je wel op.”.

   In gedachten smul ik al van de spekkies, schuine droppen en roomknotsen, die we van het statiegeld gaan kopen.

Het klimmen gaat prima maar halverwege de afdaling verlies ik mijn grip op het hek en val een halve meter. Ik blijf met de binnenkant van mijn dijbeen in de tien centimeter lange punt van het hek hangen, één meter boven de grond ongeveer. Met beide handen aan de spijlen van het hek, kan ik voorkomen dat ik alsnog achterover op de grond kukel. Ik mis de kracht om mezelf uit de punt omhoog te trekken. Erg veel pijn heb ik niet maar ik schreeuw het wel uit. Anton probeert me van die punt af te tillen maar hij heeft geen kracht genoeg. Hij loopt met al onze tassen weg en zegt dat hij zijn broer er bij gaat halen.

   Heel lang, zeker wel een kwartier, zit ik vastgenageld aan dat hek, te roepen om hulp. Ongehoord en ongezien. Ook Anton liet me stikken.

   Daar komt iemand mijn kant op. Het is ‘de kippenpoot’: de man met de hazenlip en veel te korte armen en benen. Hij is het mikpunt van  de pestapies van de buurt. We lopen achter hem aan en  joelen ‘kippenpoot, kippenpoot, kippenpoot’ als hij woedend achter ons aankomt, rennen we laf weg.

   “Waarom nou net hij?” Hij moet me herkennen. Komt hij me helpen of nagelt hij mijn andere been ook vast aan het hek.”

   "Wat zit jij daar nou te janken, snotjong?" snauwt hij.

   “Help me hier alstublieft af, ik zit vast,’ kerm ik.

   Met alle woede in hem bijt hij me toe:

   “Blijf daar maar lekker zitten! Je zit daar goed, vuile pestaap!” Driftig stap hij weg.

   De gedachte dat ik hier ten eeuwige dagen moet blijven zitten doet me uitbarsten in een wanhopig gebrul. Opeens draait de kippenpoot zich om. Vraag me niet waarom. Hij komt weer naar me toe. In zijn spleetoogjes zie ik nu een blik, die mij geruststelt. Met zijn korte, stevige armpjes tilt hij me van de punt  af en knoopt zijn witte jasje vlak boven de hevig bloedende wond.

   “Daar moet je snel mee naar de dokter, jongen.’ 

   Die hechtte de diepe gapende wond, vlak naast de hoofdslagader.

De kippenpoot draagt me naar huis, belt drie keer aan, aait me over mijn hoofd en laat me alleen. 

   Mijn geschrokken moeder vertel ik, zonder blikken of blozen, dat ik was wezen voetballen op een van de bijvelden van Sparta,  met dit ongelukkige gevolg. Haar reacties vallen me mee. Het blijft bij: ‘eigen schuld, dikke bult’, ‘voortaan beter uitkijken, hè’.

   Na een week of drie is de wond zo goed als genezen.

Al die tijd zie ik Anton niet. Als ik voor het eerst weer op school kom, stopt Anton me een gulden in mijn hand.

   “Hier, nog van die flessies”.

   “Steek die gulden maar in je reet, klootzak!”