Posts tonen met het label wenkbrauwen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wenkbrauwen. Alle posts tonen

zondag 4 september 2022

DONKERE WENKBRAUWEN

 

Er fietst al een minuut of vijf een vrouw voor me. Van achteren ziet ze er leuk uit. Onder haar kleine, bruin geruite herenhoedje wapperen fraaie, lange, blonde en bruine haren.  Ze draagt een kort wit getailleerd jasje en daaronder, een lange zwarte rok, die steeds, net niet, gegrepen wordt door de spaken van haar fiets. Ze heeft een stevig rijwiel. Het frame bestaat uit dikke buizen. Ze zit een beetje vreemd op haar fiets. Haar zadel staat eigenlijk veel te laag en haar stuur te hoog. Ze fietst alsof ze op een Harley Davidson aan het toeren is.

Maar goed, ze komt vooruit èn ze blijft me nog voor ook. Ze kiest de rustige weggetjes .

We gaan precies even hard, want de afstand tussen ons blijft gelijk. Bij de Bergweg komt van rechts een auto aan racen. Omdat ze hard moet remmen, sta ik ineens naast haar.  We kijken elkaar aan en lachen voorzichtig. Een grappig rond gezichtje, bolle wangen, vrolijke bruine ogen en een brilletje met kleine ronde glazen.

Ze mompelt wat onverstaanbaars … kijkt dan weer voor zich uit en fietst verder.

‘Dat heb je nog maar net overleefd, hè?’ zeg ik,  terwijl ik haar rechts inhaal.

‘Jij gezien hebben?’, vraagt ze.

 O, ze is buitenlands. Duidelijk. Spaans zo te horen. Ik houd wat in, zodat we naast elkaar komen te fietsen.

‘Ja, die gek reed veel te hard!’

‘Ja, stomme Marokkaan,’ zegt ze.

Nou weet ik het zeker ze is Spaans. Ze drukt haar tong steeds  iets te hard tegen de binnenkant van haar bovenste voortanden.

‘Jij niet hebben haast?’

We fietsen nog steeds naast elkaar. Ik ben in mijn korte broek.

‘Nee, het is lekker weer; ik doe het lekker rustig aan. Even naar de super.’

‘O,’ lacht ze,’ ik ook en eh, waar ik geboren, altijd is lekker weer.’

‘Ben je dan Turks, soms,’ raad ik expres fout.

‘Turks?! Ik? Nee! Waarom jij denken?’

Ik dacht, ze heeft van die mooie donkere wenkbrauwen. Ze komt vast uit Turkije.

‘Neen, ik  Argentina, ik al 20 jaar wonen hier.’ 

Ze is denk ik een jaar of veertig … en daarvan twintig jaar in Nederland … nou, dan had haar Nederlands wel wat beter kunnen zijn,  dacht ik bij mezelf.

‘Ga je echt naar de super’, vraag ik ongelovig.

‘Hmhm,’ knikt ze.

Het is vrijdag. Vroeg in de middag.

‘Jij niet werken?’

Ik ben gepensioneerd. Ik ben 60 jaar, lieg ik.

Helaas reageert ze niet met: ‘Zo ben je al 60 jaar? Dat zou je ook niet zeggen’.

Ze wil  weten of ik getrouwd ben. 

‘’Ik ben twee maanden geleden gescheiden.’

Ze vindt het maar raar dat ik mijn trouwring nog draag.

‘Ik houd nog steeds van haar, van mijn ex.’

Het gesprekje stokt. We staan inmiddels voor de super, stallen onze fietsen en zetten ze op slot. We wisselen telefoonnummers uit.

‘Ik wil je wel Nederlandse les geven.’

Dat vindt ze niet zo’n goed idee. Een beetje gepikeerd lijkt ze. Ze denkt geloof ik echt dat ze goed Nederlands spreekt. Ik had beter mijn mond kunnen houden over dat les geven …  gelukkig  belt ze me die zelfde vrijdagavond toch nog even.

dinsdag 22 maart 2022

STIJVE

Het is al weer voor de vierde keer dit jaar, dat ik naar de bejaardenfitness ga. Ruim een half jaar heb ik niks gedaan. Ik heb dan te veel last van mijn ooit eens gebroken schouder (en arm).  Als een orthopedisch chirurg vindt dat ik een nieuwe schouder moet nemen, besluit ik resoluut te stoppen bij de gym.  Dat bevalt me goed. De oefeningen die me pijn doen kan ik missen als kiespijn. Maar wat niet zo best is: langzamerhand begin ik een stijve hark te worden.  Ik kan niet eens meer mijn schouders normaal op halen. Met kop en schouders ergens bovenuit steken, lukt al helemaal niet. Als ik door de pijntjes in mijn rechterschouder en –arm niks uitvoer, is ook de rest van mijn lichaam natuurlijk niet in beweging. Alleen mijn báárd is in beweging, die laat ik staan … dat is nog niet zo makkelijk, want hij valt steeds om.

Bukken, hurken en reiken; ik weet niet eens meer hoe dat moet.

Opstaan uit de luie stoel of uit bed, zonder amechtig  gekreun. Het lukt me niet meer.

Me bij mijn lurven pakken … eigenlijk heb ik daar nooit zo goed bij gekund maar nu is het helemaal klote.

Nee schudden, ja knikken (in dat laatste ben ik áltijd goed geweest, nu niet meer).

Op m’n tenen staan? Oh neen. Maar moedwillig op iemand z’n tenen gaan staan: geen probleem.

Ik zou bijvoorbeeld graag mijn nek uitsteken voor meer groen in de straat. Maar er zit geen rek meer in die nek. Ook op de hals kan ik me weinig  halen.  Van verbazing achterover slaan lukt helemaal niet meer, ook als blijkt dat ik de enige in de flat ben, die geïnteresseerd is in ‘groen’.  Zelfs mijn wenkbrauwen fronsen nauwelijks uit zichzelf.  Al ben ik bloednerveus …  zònder knikkende knieën heb ik het met  mijn buurtjes over het aanzien van de buurt.  Sinds kort heb ik ineens moeite me op mijn borst te kloppen. Ineens.  

Ik zou het best weer eens ouderwets  op mijn heupen willen hebben. Dan zou ik, waarschijnlijk tevergeefs, proberen zèlf de handen uit de mouwen te steken en ze, zo goed en zo kwaad als het gaat, nog te laten wapperen ook.   

In de laatste maanden heb ik niet helemaal stil gezeten. Ik heb volop gewandeld. Zo heb ik er geen moeite mee mijn poot stijf te houden en in de buurtvergadering mijn buren te zeggen dat ze actief moeten worden in de buurt.  De meerderheid voelt er helaas niks voor. Slechts één buur zegt enthousiast zijn medewerking toe. Maar in werkelijkheid  steekt hij geen hand uit. ’t Is blijkbaar een  hielenlikker. Zou ik niet kunnen.